Biografie

De volgende regels zijn voornamelijk gebaseerd op de “Vita Beatae Julianae” (Leven van de zalige Juliana), waarvoor de auteur vooral navraag gedaan heeft bij de mensen die het dichtst bij de heilige stonden, in het bijzonder Eva de Saint-Martin.

1. Achtergrond en oorsprong

Het is het einde van de twaalfde eeuw, en er duiken nieuwe roepingen op: de zachte en tedere roeping van Franciscus, die met spijt vaststelt dat ‘de liefde niet geliefd is’; de krachtige en veeleisende roeping van Dominicus die zijn broeders uitnodigt om te prediken en te onderwijzen… Het is tijd want een nieuwe wereld wordt geboren en groeit: die van steden die in beslag genomen worden door de zorgen van productie en handel.

Het geloof ontspruit aan nieuwe bronnen. In talrijke kloosters leven monniken en monialen op het ritme van een leven dat door Sint-Bernardus is teruggebracht tot de oorspronkelijke eisen. Komende van stedelijke of landelijke gebieden, reageren jongeren op de levendige oproepen van Franciscus en Dominicus; ze kiezen een arm leven en bieden de inwoners van deze uitbreidende steden het schouwspel van een leven gewijd aan de prediking door hun voorbeeld en hun woorden.

Vrouwen worden niet buitengesloten in de grote spirituele zoektocht aan het einde van deze twaalfde eeuw. Er zijn diegenen die voor het klooster kiezen; maar er zijn sommigen die hun roeping binnen de stedelijke samenleving willen realiseren; sommigen trekken zich terug in krappe kluizen, in de schaduw van de torens van parochies of kapittelkerken; anderen groeperen zich in huizen waar ze het leven als begijn delen; nog anderen ten slotte bundelen hun krachten in gemeenschappen die zich inzetten om de armen te helpen en voor de zieken te zorgen. Het is in dit milieu van kluizenaars, begijnen en zusters dat Juliana van Cornillon zich zal ontwikkelen.

De weesmeisjes

In 1192 vragen simpele boeren van Retinne, Henri en zijn vrouw Frescende, aan de priester (waarschijnlijk een zekere Everelinus, pastoor van Fléron) hun tweede dochtertje te dopen, Juliana. Enkele lentes volstaan helaas voor de kerk om opeenvolgend twee begrafenisliturgieën te moeten houden. Henri en Frescende, neergedaald in het graf, laten hen, twee jonge wezen, achter die aan een andere zorg toevertrouwd moeten worden… De keuze van hun naasten valt op het huis van Cornillon, aan de ingang van Luik, waar men zich, komend van Retinne en de hoogten van het plateau van Herve, naar de stad begeeft.

Cornillon

De Premonstratenzers hadden zich er sinds 1124 gevestigd. Naast de Norbertijnse abdij was vanaf het begin van de 12e eeuw een huis geopend om melaatsen te huisvesten. Lepra was in die tijd aanwezig in onze streken, maar het lijkt erop dat andere aandoeningen er soms mee gelijkgesteld werden. Het aantal patiënten dat in dit huis werd ondergebracht zou niet erg hoog mogen zijn (hoogstens ongeveer twintig, normaal).

Het leprozenhuis van Cornillon bestond uit vier delen: twee voor gezonde broeders en zusters (‘haitis’); zij moesten voor de andere twee zorgen, die gereserveerd waren voor de zieke broeders en zusters (‘méseaux’). Iedereen, gezond en ziek, neemt deel aan de administratie van het hospice.

Vanaf 1176 is de instelling goed ingeburgerd en ontvangt het van de stad haar eerste reglement. Broeders en zusters worden verondersteld het gemeenschapsleven aan te nemen en hun goederen te delen. Bij binnenkomst in Cornillon staan zij hun eigendom af, dat zij aan het ziekenhuis toevertrouwen voor de verzorging van de zieken.

Religieuze diensten worden verzorgd door enkele broeders die in het huis wonen. De burger- en religieuze autoriteiten menen beiden dat zij het voor het zeggen hebben in het leprozenhuis van Cornillon. Dit is een bron van wrijving en zelfs open conflicten. Dit alles weerhoudt het huis niet zijn rol te vervullen en het evangelische motto te rechtvaardigen dat zich op het zegel van de instelling bevindt: ‘Infirmus fui et visitastis me’ (ik was ziek en u bezocht mij) .

2. Geestelijk portret van de heilige Juliana

Een zuster, Sapience, kreeg de taak van de opvoeding en opleiding van Juliana en Agnès, haar zus. De auteur van la Vita, onze belangrijkste bron, geeft aan dat de levensomstandigheden van Juliana haar tot een klein, ernstig meisje gemaakt hebben, geneigd naar het innerlijk leven, ontvankelijk voor wat haar geleerd werd. Als meisje van haar tijd, luisterde ze naar de verhalen uit heiligenlevens. Juliana wendde zich tot de meest nederige werken. Ze was snel actief in de koeienstallen, op de boerderij van de gemeenschap. Ze melkte de koeien. Als beginnende ‘boerin’ ontsnapte ze niet aan de bruutheid van de dieren, die haar af en toe in de mest deden belanden.

Ze houdt van mediteren en lezen. Ze leert de Schrift begrijpen in het Frans en Latijn. Ze wendt zich met graagte tot de boeken van Sint Augustinus en de geschriften van Sint Bernardus. Van deze laatste, die haar in het bijzonder inspireert, leert ze een twintigtal preken over het laatste deel van de commentaren op het Hooglied uit haar hoofd. ‘Ze hield vooral van de hymnen aan de liefde, benadrukt de auteur van la Vita, want de taal van liefde behoorde haar toe, zij die beminde.
Ze heeft de voorkeur gesprekken aan te gaan met de eenvoudigen en de kleinen, ze plaatst zichzelf binnen hun bereik. Deze afkeer van elke vorm van hoogmoed ligt in de lijn van de leer van de heilige Bernardus over de graden van nederigheid.

Hoewel Juliana alle pretentie verwerpt, toont ze toch ook een zekere ontwikkeling. We kunnen hierover echter niet meer weten dan wat hierboven is aangegeven over de omvang van haar kennis. Het overschrijdt duidelijk dat van de gewone mens van haar tijd, maar niets staat toe om het gelijk te stellen met dat van de grootste denkers van haar tijd.

Van haar eerste dagen in de boerderij dateert een diepgaande liefde voor de Eucharistie; deze liefde brengt Juliana in een staat van gebed dat ze niet meer wil onderbreken. Op de boerderij trekt Juliana zich tijdens het uur van de mis terug in een kapel; daar verenigt ze zich er in de geest mee, omdat ze niet ter plaatse kan aanwezig zijn.

De communie geeft Juliana het zoetste geluk; ze zou er ‘ten minste acht dagen lang’ in stilte willen van genieten. De houding van Juliana past bij dat van vrome vrouwen uit haar tijd. Deze vrouwen werden namelijk over het algemeen bezield door zo’n eucharistische vroomheid, dat Jacques de Vitry erover kan schrijven: ‘Onder de heilige vrouwen zijn er voor wie de Eucharistie niet alleen zoet is voor het hart, maar ook zoet in de mond. Er zijn er ook die de Eucharistie tegemoet rennen en geen voldoening of rust vinden als ze geen communie ontvangen.’ Juliana verkiest de aandacht niet te trekken op haar eucharistische vroomheid en houdt zich aan de gebruikelijke gewoonten.

Juliana wijdt zich ijverig aan haar werk tot haar krachten uitgeput zijn. Dan dwingt ziekte haar het werk te onderbreken. De auteur van la Vita benadrukt haar uitzonderlijke capaciteit van verzaking die Juliana deed vasten van haar puberteit tot haar dood. Ze is tevreden met een dagelijkse maaltijd die ze elke avond neemt, maar dat dikwijls zo armzalig is als een eenvoudige handvol erwten gekookt in water.

Juliana is erg gehecht aan de heiligen, en nog meer aan de Maagd Maria. Ze volgt aandachtig de loop van het liturgische jaar, ontroerd om zo het werk van de Verlossing opnieuw te beleven. Ze herhaalt heel dikwijls het ‘Wees gegroet Maria’ en voegt eraan toe: ‘Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar Uw woord’. Juliana streeft er bovendien naar om in de kloosters en begijnhoven het opzeggen van het Magnificat te verspreiden, waaraan zij een zeer specifieke werkzaamheid toeschrijft.

Volgens haar biograaf en tijdgenoot hebben drie realiteiten Juliana’s krachten uitgeput: het werk in de boerderij, de herinnering aan de Passie van Christus en de intensiteit van haar liefde voor de Schepper.

Juliana verschijnt ons dus vanaf het begin als een vrouw die graag de laatste plaats wil innemen en haar geloof met een arm hart wil beleven, net als Maria, wiens Magnificat ze kan zingen als een geautoriseerde vertolkster.

3. ‘Fioretti’ van de heilige Juliana van Cornillon

De biograaf presenteert ons een echte schat aan anekdotes die getuigen van een geestelijke ‘zesde zintuig’ bij Juliana, maar ook van de talrijke contacten die ze onderhield met een hele reeks vrome mensen, in het bijzonder met Eva, kluizenares in de kerk van Saint-Martin. Deze laatste is zonder twijfel de getuige die de auteur van la Vita de meeste informatie heeft verstrekt. Als kluizenares (er waren er zoals haar in vele kerken van het bisdom), moest ze zich houden aan een kuis leven, teruggetrokken uit de wereld, onderworpen aan een overste die door de bisschop aangeduid werd. Het gaat hier ongetwijfeld over Jean de Lausanne.

We kennen de manier waarop relikwieën vereerd werden tijdens de middeleeuwen; Juliana vermeed de valstrikken van bedriegers. Een ‘grote prins’ en een persoonlijke vriend van Juliana werden aangespoord om naar het Heilige Land te vertrekken; men had hen voorgespiegeld dat ze dankzij deze expeditie in het bezit zouden komen van de geselzuil en de zweep die Christus geslagen had. Juliana adviseerde aan deze vriend geen krediet te geven aan dit lokaas en zijn voornemen om te vertrekken op te geven. Deze raad werd gevolgd. Wanneer er eindelijk informatie doorkwam, bleek dat de zuil ‘zo groot is dat deze niet kon worden meegebracht’; wat de zweep betrof, keurde Juliana het af als een vulgair voorwerp dat geen enkele verering verdiende. Het onderzoek eindigde uiteindelijk met het aantonen van het bedrog… Juliana was echt niet geneigd zich te laten overweldigen door bedrog en illusie.

4. De priorin van Cornillon

Sapience, die Juliana had opgeleid, was een lange tijd priores van de zusters. Bij haar dood werd Juliana als haar opvolgster gestemd, die deze verantwoordelijkheid enkel aanvaardde uit gehoorzaamheid.

Juliana maant deze zusters aan hun mannelijke afspraakjes op te geven. Terwijl ze zich doof houden, geeft ze hen hardere verwijten, intussen haar liefdevolle zorg behoudend. Ze maakt zich grote zorgen over hun redding. Deze laatsten en hun medeplichtigen beginnen Juliana te haten. Ze belasteren haar en bespioneren haar. Ze vinden mensen om naar hun lasterlijke opmerkingen te luisteren. Het is een echte vervolging waarop Juliana met geduld en welwillendheid reageert, gesterkt door Godefroid, de prior van de broeders.

In 1237 neemt de dood van Godefroid Juliana’s trouwe steun weg. Als deze verdwenen is, zal Cornillon onrustige tijden doormaken. Een broeder die vijandig staat ten opzichte van Juliana wordt aangesteld als opvolger van Godefroid. Als prior profiteert de man van zijn positie om Juliana fel tegen te werken. Hij wil eerst alle papieren en officiële documenten met betrekking tot alle eigendommen van het huis in handen nemen, dit met de bedoeling het naar eigen goeddunken te gebruiken. Juliana weigert hem de documenten te geven die ze in bezit heeft. Ze houdt ze thuis met de instemming en steun van de meest betrouwbare zusters van de gemeenschap. Plots klagen de betrokken prior en zijn aanhangers haar aan bij de stad Luik. Ze beschuldigen Juliana ervan deze documenten te hebben gestolen en een grote som aan de bisschop te hebben gegeven ‘met het oog op de instelling van een bepaald plechtig feest’. Plots treden burgers van Luik, geïrriteerd door wat ze horen zeggen, Cornillon binnen met de vijanden van Juliana, breken haar huiskapel binnen, maar kunnen de documenten niet vinden ‘die nochtans duidelijk zichtbaar in een doos lagen’. Ze verwoesten de plaats en vallen twee zusters aan die ze beschuldigen dat ze Juliana verbergen; zij heeft inderdaad een veilig toevluchtsoord kunnen vinden.

Op de hoogte gebracht van deze gebeurtenissen, stelt Jean de Lausanne, kanunnik van het kapittel van St. Martin, zijn woning ter beschikking en besluit zelf in de universiteit te gaan slapen. Dit verblijf in St. Martin duurt drie maanden. Robert de Thourotte, voormalig bisschop van Langres, sinds 1240 bisschop van Luik, kan niet negeren wat er gebeurt. Hij gaat Juliana ontmoeten in St. Martin en beveelt haar aan de plaats niet te verlaten voordat hij erin is geslaagd de bodem van de zaak te doorgronden. Hij zendt ‘discrete en voorzichtige mannen’ om te informeren naar de manier waarop de prior benoemd is en sinds zijn verkiezing de geestelijke en tijdelijke belangen van Cornillon behandeld heeft. De afgevaardigden van de bisschop brengen het bedrog bij de benoeming van de prior aan het licht en de afpersingen die hij vervolgens uitgevoerd heeft. De bisschop kan dus niet anders dan deze prior afzetten (hij zendt hem naar het leprozenhuis van Hoei). En Juliana kan met haar metgezellen terugkeren naar haar huis.

Het is ongetwijfeld op dit moment, in 1242, dat het huis van Cornillon aan een nieuw reglement onderworpen wordt, uitgevaardigd door Robert de Thourotte. Dit reglement gaat in de richting van de hervorming die Juliana wenste. De omstandigheden zijn helemaal niet gunstig voor de serene benoeming van een nieuwe prior. Het is Jean, een jonge broeder die buiten alle verdenking staat, die aangeduid wordt. Als Juliana deze keuze goedkeurt, kan ze alleen sympathiseren met het lot van de nieuwgekozene wiens toekomstige beproevingen haar nog zullen benauwen. Robert de Thourotte zorgt er ook voor dat Juliana een nieuw huis heeft, minder ongemakkelijk en beter gelokaliseerd. Jean de Lausanne en Eve de Saint-Martin nemen de gemaakte kosten op zich. Alsmaar talrijker worden de bezoekers van de geestelijkheid of de hoge samenleving die Juliana komen bezoeken en zich aanbevelen aan haar gebeden.

Deze toeloop kwetst de nederigheid van Juliana. Maar kan ze bisschoppen afwijzen? Welnu, van de bezoekers zijn er twee: Guiart de Laon, een beroemde theoloog en bisschop van Cambrai; en Robert, de bisschop van Luik. Juliana gebruikt deze contacten om Robert de Thourotte te winnen voor de zaak van een nieuwe plechtigheid ter ere van het Lichaam en Bloed van Christus.

5. De verbanning

De dood van de bisschop van Luik, Robert de Thourotte, ontneemt Juliana haar belangrijkste beschermheer. Haar tegenstanders zullen het initiatief weer opnemen. Het is niet de nieuw gekozen bisschopszetel, Henri de Gueldre, die hun plannen zal dwarsbomen: hij is nog maar net benoemd (oktober 1246) of hij geeft Cornillon over aan het burgerlijk bestuur van de stad! De voormalige prior keert terug naar het huis als een eenvoudige broeder, terwijl Jean wordt ontslagen en het ambt van prior wordt toevertrouwd aan een premonstratenzer van de nabijgelegen abdij. Juliana probeert het moreel van de trouwe zussen te ondersteunen en de jonge prior aan te moedigen op zijn post te blijven. Maar de voormalige prior wordt snel weer in zijn functie hersteld. Dit brengt Juliana in een zeer slechte situatie. Ze kan alleen weigeren deze onwaardige overste te gehoorzamen. Later, wanneer Juliana ondervraagd wordt over haar conflicten met de prior van Cornillon, waarbij geïmpliceerd wordt dat haar houding niet vrij kan gaan van verwijten, antwoordt ze: ‘Ik zou graag willen dat je weet dat ik nooit van de weg van het evangelie afgeweken ben in relatie met de prior, toen hij mij kwelde en pestte. U weet ongetwijfeld ook dat ik voor niets ter wereld een leugen uitgesproken zou hebben of hem met wat dan ook belaagd zou hebben dat mijn geweten mij zou kunnen verwijten. ‘

De druk neemt toe om haar te verplichten het huis te verlaten. De inwoners van Luik, die tegen haar opgezet zijn, vallen Cornillon opnieuw binnen. Gewapend met allerlei werktuigen, vernietigen ze haar huiskapel terwijl ze haar toevlucht zoekt in de slaapzaal. Juliana kan niet meer in Cornillon blijven. Haar vrijheid wordt bedreigd door de aanhangers van de prior; haar leven zelf is in gevaar. Ze maakt haar beslissing bekend aan de zusters die haar trouw blijven: ‘Je ziet dat ik niet langer in dit huis kan blijven terwijl de haat van mijn vijanden altijd sterker wordt en ze me tot de dood lijken te willen vervolgen. Ik zou de toorn en woede uitlokken van hen die mij vervolgen. Ik wil niet schuldig worden bevonden in de ogen van God voor het provoceren van mijn dood. Dus ik moet hier weg gaan en elders een woonplaats zoeken. ‘

Het vertrek

Zo verlaat Juliana Cornillon (1248) met enkele medezusters. Ze heeft geen geld. Ze antwoordt degenen die haar ondervragen over haar levensonderhoud: ‘God zal ons helpen en, indien nodig, zullen twee dapperen onder onze zusters aan de poorten bedelen.’

Ze verblijft eerst in Robermont, een abdij die in 1244 hersteld was dankzij Cisterciënzer monialen uit Val-Benoît. Het is ook in Val-Benoît dat ze dan eindelijk wordt verwelkomd in Val Notre-Dame, niet ver van Hoei. Al deze huizen, van recente stichting, zijn dochters van Cîteaux…

Toch laat de prior niet los: hij complotteert en oefent druk uit op elk van deze gemeenschappen zodat Juliana daar niet kan blijven. Ze besluit de weg naar Namen te nemen. En tegen diegenen die haar lot delen zegt ze : ‘Laten we naar Namen gaan waar men de gewoonte heeft degenen die uit hun vaderland verjaagd worden, op te vangen.’ Daar gaan dus Juliana en haar metgezellen – Agnès, Ozile en Isabelle – ze nemen de weg van de ballingschap, veroordeeld te bedelen om een onderkomen, zonder inkomsten, ver van hun geliefden. In deze beproevingen onthult Juliana een grote kracht, die onze auteur verbaast: ‘Wie zou geloofd hebben in zo’n standvastigheid in dit fragiele geslacht en dit bijna nutteloze lichaam?’

Namen

Juliana en haar zussen komen aan in Namen ‘maar er is geen plaats voor hen in de hotels’. Ze vinden dus onderdak bij de arme begijnen; ze verblijven enige tijd bij hen en ervaren armoede. Imène van Looz, cisterciënzer Abdis van Val Saint-Georges in Salzinnes, de zus van aartsbisschop Conrad van Keulen, ‘bekend om haar grote wijsheid en genade’ is geïnteresseerd in het lot van de bannelingen. Afkomstig uit de adel (de familie van de graven van Looz), geniet ze veel ondersteuning die zeer nuttig zal zijn voor Juliana. Ze neemt contact op met de aartsdiaken Johannes, die dit deel van het bisdom Luik beheert, en vertelt hem de situatie van Juliana en haar zusters. Deze aartsdiaken ‘die de gewoonte had arme begijnen bij te staan’ is ontroerd door hun situatie. Hij stelt het huis dat hij bezit in de buurt van de kerk St. Aubain tot hun beschikking. De aartsdiaken laat vervolgens een hospice bouwen voor de arme en zieke zusters; hij geeft Juliana een stuk land dat grenst aan het hospice en de kerk van St. Symphorien om er een woning te bouwen. En, dankzij de giften van de gelovigen, biedt een klein huisje al snel onderdak aan de zusters. Ze kunnen er een arm leven leiden, maar ze worden gesteund door aalmoezen en de vriendelijkheid van de inwoners van Namen.

Zeker, de tussenkomst van Imène blijkt doeltreffend omdat ze een jaarlijkse huur ontvangt van het huis van Cornillon, dat geschonken zal worden aan de vluchtelingen in Namen.

Salzinnes

Guiart, de bisschop van Cambrai, lijkt zich ook te interesseren in hun situatie, gezien hij Juliana en haar gezellinnen adviseert om zich onder het gezag van Imène te stellen. Op deze manier zouden ze voorkomen beschuldigd te worden van een leven in een onduidelijk omschreven situatie. Agnès en Ozile, twee van de gezellinnen van Juliana, sterven intussen en worden begraven in Salzinnes. De enige die overblijft, is Isabelle, die Juliana overtuigt in de abdij van Salzinnes te gaan wonen, omdat ze het overbodig vindt een huis te onderhouden voor twee zusters. De twee zusters begeven zich naar Salzinnes. De abdis ontvangt hen met veel genegenheid en biedt hen een ruime kamer aan. Juliana weigert al deze waardering en smeekt dat men haar als een kluizenares in een klein onderkomen dichtbij de kerk zou installeren.

Tijdens Juliana’s verblijf in Salzinnes geeft een lichtzinnige geestelijke zich over aan zijn wanorde in een huis dichtbij de abdij. De ‘keizerin van Namen’ (inderdaad, gravin Marie de Brienne is de echtgenote van Baudouin de Courtenay, laatste Latijnse keizer van Constantinopel) hoort hiervan en beveelt de vernietiging van het bordeel. Plotseling gaan de inwoners van Namen zich tegen hun gravin keren en tegen het huis van Salzinnes die, zo denken ze, dit heeft geadviseerd. Juliana is ontzet.

In de tussentijd overlijdt ook Isabelle op haar beurt; ze was zonder twijfel de meest geliefde vriendin van Juliana.

In 1251, met de aankomst in Luik van Hugues de Saint-Cher als gezant van de Heilige Stoel, wordt de instelling van het feest hervat. Als voormalig prior van de dominicanen van Luik, was hij een van degenen die de oprichting van zo’n festival had goedgekeurd tijdens de eerste momenten van overleg in 1230. Gevraagd om het officieel te vestigen, legt hij het feest vast na het octaaf van Pinksteren en zingt de pauselijke mis in de kerk van St. Martin. Op 20 december 1252 maakt Hugues de Saint-Cher het feest verplicht in het hele bisdom Luik en het decreet wordt op 30 november 1254 door de legaat Pierre Caputius, kardinaal, goedgekeurd en bevestigd.

De problemen stapelen zich op in Namen. De mensen zijn van plan om Val Saint-Georges te verbranden. De gravin beveelt Imène om de abdij met haar gemeenschap te verlaten tot het tumult ophoudt. Juliana hekelt deze illusies en, wanneer de gemeenschap zich moet verspreiden, laat ze haar pijn de vrije loop. Ze spuugt bloed en zal dit niet stoppen tot haar dood.

De gebeurtenissen bevestigen Juliana’s voorspelling: de gravin Marie, onpopulair geworden door maatregelen die alleen ten goede kwamen aan het rijk van Constantinopel ten nadele van de inwoners van Namen, wordt verjaagd in december 1256. De zusters die aan haar zijde geblameerd worden, moeten opnieuw vertrekken… Imène neemt na de verspreiding van haar gemeenschap Juliana mee naar Fosses waar Robert de Thourotte tien jaar eerder was overleden. Een kanunnik, die de functies van cantor vervult in de kapittelkerk Saint-Feuillen de Fosses (tegenwoordig Fosses-la-Ville), verwelkomt haar daar in een kluis die grenst aan de kapittelkerk. Juliana zal daar twee jaar leven (1256-1258) in gezelschap van Ermentrude, een zuster die overgekomen was van Cornillon.

Het einde komt nabij… Juliana is ziek en moet het bed houden. Omdat ze haar einde ziet naderen, vraagt ze hulp aan Jean de Lausanne. Wil ze hem lang bewaarde geheimen onthullen? Maar noch Jean, noch haar naasten uit Luik zullen haar komen bezoeken: de oorlog bedreigt de graaf van Namen, en het lijkt dat ze de ziekte niet ernstig genomen hebben. Juliana had het voorspeld: geen enkele van haar dierbaarste vrienden zou aanwezig zijn bij haar overlijden. Ze zal aan niemand de ‘geheimen van haar hart’ kunnen onthullen, ze is te ingetogen om ze te delen met mensen waarmee ze niet de belangrijkste uren van haar bestaan gedeeld heeft. Aan mensen die haar zeggen dat ze zal sterven, zegt ze: ‘Ik ga niet sterven, ik ga leven.’ Hoe kunnen we niet denken aan deze laatste zin van Theresia van Lisieux: ‘Ik sterf niet, ik ga het leven binnen!’

Volgens haar biograaf sterft ze als maagd, maar ook als martelares omdat ze, zoals de heilige Bernardus het aanleert, een lange en moeilijke weg is willen gaan door haar kruis te dragen voor de liefde van de eeuwige Gekruisigde. De vastentijd van 1258 loopt ten einde; op stille zaterdag zegt Juliana aan haar zuster Ermentrude: ‘Morgen zal ik naar de kerk moeten gaan om afscheid te nemen; nog nooit heb ik in dit vergankelijke leven zo sterk de behoefte gevoeld om naar de kerk te gaan.’ Men leidt haar er de volgende dag dus naartoe; na de metten en meerdere missen te hebben gehoord, ontvangt ze de communie uit de handen van haar gastheer, de cantor, vervolgens keert ze terug naar haar plaats waar ze bidt, en ze blijft in de kerk tot de avond. Daarna wordt ze teruggebracht naar haar huis waar ze ‘helemaal onder tranen’ de laatste sacramenten ontvangt. Ze sterft twee dagen later.

Dan komt uiteindelijk ‘de dag waarop het licht zonder einde schijnt’ (5 april 1258). Imène, meerdere monialen, de cantor van Fosses, Ermentrude en enkele naasten staan aan haar hoofdeinde. Haar extreme zwakte verhindert haar ter communie te kunnen gaan, maar Imène stelt voor dat men haar het Heilig Sacrament zou aanbieden. Juliana weigert, vanuit de overweging dat het niet aan de Heer is om naar haar toe te komen, maar dat zij naar Hem moet komen. Toch brengt de cantor, in wit gewaad, het Lichaam van de Heer naar haar. Wanneer Juliana de bel hoort rinkelen die aankondigt dat het Heilig Sacrament eraan komt, gaat ze rechtop zitten in bed; de hostie wordt vervolgens aan haar gepresenteerd: ‘Zie hier, Madame, uw Redder, die verwaardigd heeft voor u geboren te worden en te sterven. Bid tot Hem opdat Hij u verdedigt tegen uw vijanden en uw gids zou zijn.’ Juliana, starend naar het Heilig Sacrament, antwoordt: ‘Amen! En moge het evenzo zijn voor Madame!’ Op die manier wenst ze dat Imène zou delen in de geestelijke weldaden die zij gekend heeft. Na deze laatste woorden te hebben uitgesproken, sterft Juliana, aan de leeftijd van 66 jaar, op een vrijdag, op het uur waarop Jezus zelf de geest had gelaten.

De vrijdag van de Paasoctaaf…

Na een nacht van waken en bidden, wordt de mis gevierd voor de overledene in de kerk te Fosses. Vervolgens wordt haar lichaam meegenomen op een draagberrie naar de abdij van Villers, zoals ze gewenst had, ‘door haar trouwe vriend Gobert’. Vreemd genoeg wordt deze persoon hier voor de eerste maal vermeld, en toch heeft Juliana aan hem gevraagd haar laatste wil te vervullen. Gobert, graaf van Aspremont, maakte vroeger deel uit van de Franse hoge ridderlijkheid en zou familie zijn van Robert de Thourotte. Een van zijn broers was de bisschop van Metz. Verzakend aan de wereld, had Gobert zich aangesloten bij de zonen van de heilige Bernardus in de abdij van Villers. Hij stierf in 1263 in de geur van heiligheid (het feest van deze ‘zalige’ wordt op 20 augustus gevierd).

De begrafenisstoet wordt begeleid door Imène en degenen die haar omringen. In Villers wordt het lichaam van Juliana met veel respect behandeld, er wordt over gewaakt door de monniken tot de volgende dag, de dag van de Heer. Die dag geeft een geestelijke die onverwachts is aangekomen een bewonderenswaardige preek over het Heilig Sacrament van het Altaar waar Juliana zo veel van heeft gehouden… Het is bovendien opmerkelijk dat in Villers het feest van het Heilig Sacrament al meerdere jaren werd gevierd. Na de mis en de afscheidsriten wordt het lichaam van Juliana begraven achter het hoogaltaar van de kloosterkerk waar al stoffelijke overschotten van andere heiligen van de abdij neergelegd zijn.

Heilige Juliana?

De reputatie van heiligheid was dus vroegtijdig bij Juliana. Dat toont dit graf en de uitgave van haar Vita enkele jaren later goed. Ook al was ze niet het voorwerp van een formele canonisatie, toch bevestigt de traditie constant deze heiligheid.
Pauselijke besluiten van 1599 en 1698 verwijzen naar de ‘heilige Juliana’ en geven aflaten aan degenen die haar vereren. In de achttiende eeuw introduceerde Johann Theodor van Beieren, prins-bisschop van Luik, de heilige Juliana in het Luikse brevier. In de negentiende eeuw hebben de Belgische bisschoppen de paus gevraagd deze verering uit te breiden naar de universele Kerk, maar ze hebben er enkel een erkenning voor gekregen. Dat alles neemt niet weg dat Juliana als een heilige wordt aangeroepen, zoals zelfs Johannes Paulus II gedaan heeft tijdens zijn reis naar België in 1985. Op dit moment is in de Romeinse Missaal voor de Franstalige landen voorzien dat dit feest in België op 7 augustus gevierd wordt (en niet meer op 5 april).

Deze tekst bevat grotendeels de inhoud van ‘Fêter Dieu avec Julienne de Cornillon [God vieren met Juliana van Cornillon]’, uitgegeven door Editions Fidélité in 1996 in de bundel ‘Sur la route des saints [Op de weg van de heiligen]’, nr. 14. We danken de uitgeverij Fidélité omdat ze ons hebben toegestaan het hier te reproduceren.