Luik – Villers-la-Ville

Luik – Villers-la-Ville = La Via Juliana
130 kms in 8 dagen

130 km in 8 dagen op de Via Juliana, om de weg van armoede van de heilige Juliana te overwegen en te ervaren, samen met haar roeping van aanbidding en haar daad van overgave aan de Vader.

coverimage-169202_vmosana_Aix-Liege-Huy_Namur

Het pad van de heilige Jakobus overlapt met de via Juliana, waar het de Maasvallei doorgaat. De ‘Via Juliana’, oorspronkelijk uitgestippeld door Bruno Vermeire, Dominique en Myriam Beguin, in 1999, verbindt de abdij van Villers-la-Ville (haar graf), Fosses-la-Ville (plaats van haar dood), Salzinnes, Hoei, Cornillon, Retinne en eindigt waar de heilige Juliana rivier de Maas instroomt.

Via-Juliana-v1

https://www.cirkwi.com/fr/circuit/53484-via-juliana-villers-la-ville-retinne

Vertrek van de abdij van Villers-la-Ville

RP Cornillon 2006 009

‘De volgende dag werd het offer voor de overledene in de kerk van Fosses aangebracht, en vervolgens werd het lichaam van de maagd op een kar geladen door haar trouwe vriend, de monnik Gobert, die ze hadden opgeroepen; hij leidde haar lichaam naar het huis van Villers, zoals de jonkvrouw van Christus tijdens haar leven gevraagd had. […] Deze monnik Gobert was vroeger een sterke militaire soldaat geweest, zeer gelukkig en beroemd, afstammeling van een van de edelste families van het koninkrijk van Frankrijk; maar hij was edeler geworden toen hij de wereld was ontvlucht als gevolg van de goddelijke roeping, rijker en bekender was hij door het verachten van aardse dingen […]. Als monnik in dit huis in Villers, hield hij van Juliana, de jonkvrouw van Christus, vooral omdat hij de heiligheid van haar lichaam en geest tijdens haar leven had gekend. Haar lichaam werd met respect verwelkomd door de gemeenschap van dit huis en het werd door een speciale gunst tot de volgende dag bewaard. De monniken bewaakten het lichaam de hele nacht lang. […] Het maagdelijke lichaam werd begraven tussen de heiligste lichamen van het huis. Het is uw nederzetting, O Christus, die toevertrouwd is aan het huis van Villers.’ (Vita, II, 50)

Eerste etappe: Villers-la-Ville – Fosses-la-Ville
28 km – GR 126 + 125

Fosses-la-ville_JPG00

« De dienares van Christus, Juliana, bracht de hele vasten (van het jaar 1258) (in haar kluis) in grote discipline van stilte door, terwijl ze met groot geduld de ziekte verdroeg waaraan ze in haar lichaam leed. […]
Op woensdag, de vooravond van de heilige Ambrosius (toen op 4 april gevierd), leek ze zo zwak dat men dacht dat haar einde zeer nabij was. […] Op donderdag, benauwd door de beklemming van haar naderende dood, slaagde ze er niet in het gewoonlijke getijdengebed te bidden, zoals op de dagen ervoor; maar ze verlangde dat er in haar aanwezigheid gebeden zouden worden. Ze deed mee wat en hoe ze kon, samen met hen die de gebeden zegden; op die manier loofde ze de Heer haar hele leven en dat zegende Hem altijd door. Uiteindelijk, toen ze nauwelijks nog kon spreken, herhaalde ze dikwijls de woorden van de Apokalyps: “Zalig de doden, die in de Heer sterven ».
Uiteindelijk brak de verbinding van haar aardse cabine en werd haar ziel, die er zo naar verlangde, vrijgelaten. De grote dag, de dag van haar eeuwige geboorte, schitterde. Bij dit vertrek stonden de eerwaarde abdis van Salzinnes, jonkvrouw Hymène en verschillende zusters haar bij, en de gewaardeerde cantor van Fosses die vergezeld was van enkele andere personen, die altijd in de aanwezigheid van zuster Ermentrude waren; kortom, een kleine verzameling gelovigen. » (Vita, II, 47,48,49)

Juliana leefde enkele jaren afgezonderd in de kerk saint–Feuillien in Fosses-la-Ville.

Tweede etappe: Fosses-la-Ville – Salzinnes
21 km – GR 125

« Toen ze in dit huis aankwamen, ontving de eerbiedwaardige abdis hen met grote toewijding en stelde hen als woning een ruime zaal voor, terwijl ze haar gasten veel eerbied en een respectvolle vriendschap bood. Maar Juliana, die van nederigheid hield, droeg met moeite de eer en het respect dat hen werd betoond, en bleef discreet, zoals ze was en zoals ze altijd was geweest; ze vroeg de abdis vaak of ze haar in een huis in de buurt van de kerk kon plaatsen, en beweerde dat ze liever in nederige en bescheiden plaatsen verbleef dan in grote en nobele zalen. » (Vita, II, 33)

Namen – De parochie Sint-Juliana van Salzinnes. Juliana werd door de abdis van Salzinnes ontvangen in Hymène.

Derde etappe: Salzinnes – Andenne
33 km – GR 575

De kapittelkerk Sint-Begge (Andenne). De heilige Begge, een overgrootmoeder van Karel de Grote, die weduwe werd, stichtte in Andenne, omstreeks 692, een Merovingische abdij met, naast twee verschillende verblijfplaatsen, zeven kerken. In de 11e eeuw werd het klooster een seculier kapittel. De lekenmacht verplichtte rekrutering uit de adel. Zo werd het primitieve klooster een nobel kapittel dat overwegend vrouwelijk was. In 1762 waren de zeven kerken in zeer slechte staat. Het kapittel kreeg toestemming van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk om ze te vervangen door één heiligdom. Hij gaf L-B Dewez, de officiële architect van gouverneur Charles van Lorraine, de opdracht om plannen te maken voor een nieuwe neoklassieke kapittelkerk.
Hierin ontdekken we het graf van de heilige van de 12e
eeuw, een katheder met een griffoen (koperwerk uit 1510), 17e-eeuwse kraampjes, biechtstoelen en preekstoel van 18de eeuw, 17e en 18e eeuwse schilderijen waaronder ‘le Massacre des Innocents’ (de Kindermoord van Bethlehem) (1615) door Finsonius uit Brugge. In het museum en de schatkamer van de kapittelkerk bevinden zich edelsmeedkunst, textiel, beeldhouwwerken, schilderijen, manuscripten en grafmonumenten, erfenis van eeuwen van vroomheid en toewijding en getuigenissen van de kracht van de heiligheid van de abdij. Een uitzonderlijk stuk: het renaissance-schrijn van de heilige Begge.

4e etappe: Andenne – Huy (La Sarte)
28 km – GR 575 + 576

« Toen verliet de jonkvrouw van Christus met enkele zusters het opstandige huis van de berg Cornillon alsof ze Ur in Chaldea verliet; ze vertrok zonder financiële middelen. En toen haar werd gevraagd wie de noodzakelijke kosten voor haar en haar gezellinnen zou betalen, antwoordde ze, door al haar zorgen aan de Heer af te geven, volgens het advies van St. Petrus: “God zal ons helpen en indien nodig zullen twee van onze moedigste zusters gaan bedelen aan de poorten. Ze woonde eerst in Robermont, vervolgens in Val-Benoît, daarna in Val-Notre-Dame (Antheit-Huy), allen huizen van nonnen van de cisterciënzerorde. Maar de eerder vernoemde overste […] achtervolgde de Maagd van Christus in elk van deze huizen en gebruikte telkens sluwe complotten zodat ze in geen enkel van de huizen langdurig zou kunnen verblijven. »
(Vita, II, 31)

Hoei – De geschiedenis van deze kerk is gekoppeld aan de ontwikkeling van de pelgrimstocht naar Onze-Lieve-Vrouw van La Sarte (Maagd en Kind). In 1621 verzamelde een arme vrouw uit de stad, Anne Hardi, dood hout op de berg Sarte. In de buurt van een bouwvallig kapelletje vond ze een beeld van de Maagd die ze op haar houtbundel plaatste. Het lukte haar niet meer om deze op haar schouders te nemen, zelfs niet geholpen door twee voorbijgangers, behalve nadat ze tot Maria hadden gebeden. De stad herdenkt elk jaar het « wonder van het brandhout ».

5e etappe: Huy (La Sarte) – Saint-Séverin
23 km – GR 576

Saint-Séverin-en-Condroz – Romaanse cluniacenzische kerk van de heilige Petrus en Paulus (Église Saints-Pierre-et-Paul). Vervat in een benedictijnenklooster, werd deze kerk gebouwd tussen 1136 en 1145. Zijn vorm wordt gemarkeerd door een achthoekige toren met een pijl en doorbroken met dubbele ramen die typerend zijn voor de Bourgondische school van Cluny (moederabdij van de Benedictijner orde) ). De architect was waarschijnlijk een broer van degene die verantwoordelijk was voor de bouw van Paray-le-Monial, een meesterwerk van de cluniacenzische kunst.

6e etappe*: Saint-Séverin – Brialmont
16 km – GR 576

De abdij Onze-Lieve-Vrouw van Brialmont bevindt zich in Tilff, op 12 km van Luik. Trots gelegen op een rots waarvan het de natuurlijke kroon lijkt, domineert het meer dan honderd meter over de schitterende diepe vallei van de Ourthe. Een gemeenschap van Cisterciënzer trapistinnen bidt, werkt en onthaalt. Hun specialiteiten zijn paddenstoelen.

7e etappe : Brialmont – Cornillon
23 km – GR 57

« Ze leidde (het leprozenhuis van Mont-Cornillon) zeer efficiënt, ze dirigeerde in nederigheid, met liefdevolle toewijding, ze toonde aan allen het voorbeeld van goede werken, zonder dat ze haar eigen voordeel zocht, maar alleen dat van Christus. Ze gaf zichzelf de zorg en het werk van de priores, niet de dominantie of het prestige. […] Met heel haar gevoel probeerde ze de liefde voor Christus te vergroten waar Hij aanwezig was; en waar Hij afwezig was, probeerde ze de gedachte aan Hem op te wekken door middel van heilzame waarschuwingen. […] De dienares van Christus, volledig steunend op Hem, werkte voor hun heil door hen met ijverige vriendschap uit te nodigen om vooruitgang te maken in de beste charisma’s. Ze toonde zich geen meesteres, maar een bediende, een moeder, een verpleegster. » (Vita, II, 2)

« Telkens wanneer Juliana bad, zag ze een wonderbaarlijk teken. De maan verscheen haar, beeldschoon, met echter een klein missend stukje aan het bolvormige oppervlak. Ze was verbaasd en wist niet wat het betekende. En haar verbazing groeide, want bij elk gebed werd het teken herhaald. Ze interpreteerde dit als een verleiding, iets slechts, waar ze probeerde van af te geraken. Omdat dit teken niet verdween, bedacht ze dat ze, in plaats van het kwijt te willen, het misschien eerder moest proberen te begrijpen. Ze bad opdat ze de betekenis haar duidelijk zou worden. Toen openbaarde Christus aan haar dat de maan de huidige kerk was maar dat het ontbrekende deel van de maan de afwezigheid was van een plechtigheid in de kerk. » (Vita II,6).

« Door groot medelijden bewogen nam ze alle moeilijkheden op haar (die mensen haar toevertrouwden) en droeg ze tot bij de Heer alsof het haar eigen problemen waren. Zo verscheen ze nooit zonder intentie voor de Heer, maar ze stortte haar hart voor hem uit als water, met een vernederde en verslagen geest, met de gave van haar vurig gebed en een overvloedige uitstorting van tranen; En om te zorgen dat de schoot van goddelijke tederheid zijn barmhartigheid snel zou tonen aan hen die leden onder beproevingen en moeilijkheden, kwelde ze meedogenloos haar tedere lichaam met zeer harde slagen; en haar geest rustte niet totdat deze mensen de bevrijding verkregen hadden van de Heer. » (Vita I,35)

Leprozenhuis opgericht rond 1100 buiten de stad, de wees Juliana werd hier onthaald, had hier haar visioenen en werd priorin en verantwoordelijke voor dit herstelcentrum. Juliana werd er verjaagd door de druk van de burgerlijke machten die de rijkdom van het werk op het oog hadden. Sinds 1820 wordt dit heiligdom bewoond door de Karmelietessen van Cornillon die er hosties produceren voor het bisdom Luik. De zusters zetten hun prachtige kapel, een genadeplaats, ter beschikking van de Luikse bijeenkomsten van Emmanuel voor de maandelijkse gebedswakes.

8e etappe: Cornillon – Retinne – Vallei van de heilige Juliana rivier
24 km – GR57 – GR5

Het is aan de leeftijd van vijf jaar dat Juliana wees werd en haar familie haar toevertrouwde aan het leprozenhuis van Cornillon, aan de oostkant van Luik. Ze kreeg er een goede opvoeding van zuster Sapience.

2ème étape : Fosses-la-Ville – Salzinnes
21 km – GR 125

« Quand elles arrivèrent dans cette maison, la vénérable abbesse les reçut avec beaucoup de dévouement et leur proposa comme résidence une salle large et spacieuse, témoignant à l’égard de ses hôtes beaucoup de révérence et d’une amitié respectueuse. Mais Julienne, qui aimait l’humilité, supportait difficilement les honneurs et le respect qu’on leur montrait et restait discrète, comme elle l’était et comme elle l’avait toujours été ; elle priait souvent l’abbesse qu’on l’installe dans une maison près de l’église, affirmant qu’elle restait plus volontiers dans des lieux humbles et modestes que dans des salles vastes et nobles. » (Vita, II, 33)

Namur – La paroisse Sainte Julienne de Salzinnes. Julienne fut accueillie par l’abbesse de Salzinnes, Hymène.

3ème étape : Salzinnes – Andenne
33 km – GR 575

La Collégiale Sainte-Begge (Andenne). Sainte Begge, trisaïeule de Charlemagne, devenue veuve, fonda à Andenne, vers 692, une abbaye mérovingienne comportant, outre deux quartiers distincts, sept églises. Au 11e siècle le monastère se transforma en un Chapitre séculier. Le pouvoir laïc imposa le recrutement dans la noblesse. Ainsi le monastère primitif devint-il un Chapitre Noble à prédominance féminine. En 1762, les sept églises étaient en très mauvais état. Le Chapitre obtint l’autorisation de l’Impératrice Marie-Thérèse d’Autriche de les remplacer par un seul sanctuaire. Il chargea L-B Dewez, architecte officiel du gouverneur Charles de Lorraine, de dresser les plans d’une nouvelle collégiale, néoclassique. On découvre dans celle-ci le tombeau de la sainte du 12e
siècle, un lutrin au griffon (dinanderie de 1510), les stalles du 17e siècle, les confessionnaux et chaire de vérité du 18e siècle, des tableaux des 17e et 18e siècle dont le Massacre des Innocents (1615) de Finsonius de Bruges. Au Musée et Trésor de la Collégiale sont exposés orfèvreries, textiles, sculptures, peintures, manuscrits et monuments funéraires, héritage de siècles de piété et de dévotion et témoins de la puissance de la sainteté de l’abbaye. Une pièce d’exception : la châsse renaissance de sainte Begge.

4ème étape : Andenne – Huy (La Sarte)
28 km – GR 575 + 576

« Alors la vierge du Christ quitta avec quelques sœurs la maison rebelle du Mont Cornillon comme si elle quittait Ur en Chaldée ; elle partit sans ressource financière. Et comme on lui demandait qui règlerait les dépenses indispensables pour elle et pour ses compagnes, elle répondait, en se déchargeant sur le Seigneur de tous ses soucis, selon le conseil de saint Pierre : « Dieu nous aidera et, si c’est nécessaire, deux de nos sœurs les plus courageuses iront mendier aux portes. » Elle demeura d’abord à Robermont, puis au Val-Benoît, ensuite au Val-Notre-Dame (Antheit-Huy), toutes maisons de moniales de l’Ordre cistercien. Mais, le prieur déjà cité, […] poursuivit la vierge du Christ dans chacune de ces maisons et usa chaque fois de machinations rusées pour qu’elle ne puisse bénéficier de séjours prolongés dans aucunes de ces maisons. »
(Vita, II, 31)

Huy – L’histoire de cette église est liée au développement du pèlerinage à Notre-Dame de la Sarte (Vierge à l’enfant). En 1621, une pauvre femme de la ville, Anne Hardi, ramassait du bois mort sur le mont du Sart. Près d’une petite chapelle en ruines, elle trouva une statue de la Vierge qu’elle plaça sur son fagot qu’elle ne parvint plus à reprendre sur ses épaules même aidée par 2 passants, sauf après avoir prié Marie, tout simplement. La ville se souvient chaque année du « miracle du fagot ».

5ème étape : Huy (La Sarte) – Saint-Séverin
23 km – GR 576

Saint Séverin en Condroz – Eglise romane clunisienne Saints Pierre et Paul. Intégrée dans un monastère bénédictin, cette église fut construite entre 1136 et 1145. Sa forme est marquée par une tour octogonale coiffée d’une flèche et percée de fenêtres géminées typique de l’École bourguignonne de Cluny (abbaye-mère de l’ordre bénédictin). L’architecte était sans doute un frère de celui qui a bâti Paray-le-Monial, chef d’oeuvre d’art clunisien.

6ème étape* : Saint-Séverin – Brialmont 
16 km – GR 576

L’abbaye Notre Dame de Brialmont est situé à Tilff, à 12kms de Liège. Fièrement campé sur un rocher dont il paraît le couronnement naturel, il domine de plus de cent mètres, la superbe profonde vallée de l’Ourthe. Une communauté de moniales cisterciennes trapistines prie, travaille, accueille. Leurs spécialités sont les champignons.

7ème étape : Brialmont – Cornillon
23 km – GR 57

« Elle dirigea (la léproserie du Mont-Cornillon) de manière profitable, elle dirigea dans l’humilité, elle dirigea aussi dans la sollicitude, elle montra à tous l’exemple de bonnes œuvres, ne cherchant pas son intérêt mais celui du Christ. Elle s’attribua les soins et le travail de prieure, non la domination ou le prestige.         […] De tout son sentiment, elle cherchait à augmenter l’amour du Christ, là où il était présent ; et là où il était absent, elle cherchait à l’y provoquer par des avertissements salutaires. […] La servante du Christ, avec l’appui de ce dernier travaillait à leur salut en les invitant avec une amitié empressée à progresser vers les charismes les meilleurs. Elle ne se montrait pas maîtresse, mais servante, mère, nourrice. » (Vita, II, 2)

« Chaque fois que Julienne faisait oraison, elle voyait un signe étonnant. La lune lui apparaissait, splendide, avec toutefois un petit manque dans sa surface sphérique. Elle s’en étonnait beaucoup et ignorait ce que cela présageait. Son étonnement allait croissant car, à chaque oraison, ce signe se répétait. Elle interpréta cela comme une tentation, un trouble, dont elle s’efforçait d’être délivrée. Comme ce signe ne disparaissait pas, elle pensa qu’elle devait moins chercher à l’écarter qu’à le comprendre. Elle pria pour en obtenir la signification. Alors le Christ lui révéla que la lune figurait l’Église présente mais que la fraction manquante de la lune figurait l’absence d’une solennité dans l’Église. » (Vita II,6).

« Elle assumait dans sa grande compassion toutes les difficultés (que les gens lui confiaient) et les portait au Seigneur comme si elles étaient les siennes. Alors elle ne se présentait pas vide devant le Seigneur, mais elle répandait son coeur devant lui comme de l’eau, dans un esprit humilié et contrit, avec le don de sa prière fervente et d’une copieuse effusion de larmes ; et pour pousser plus vite les entrailles de la tendresse divine à montrer sa miséricorde envers ceux qui étaient dans l’épreuve et dans l’affliction, elle affligeait sans pitié son corps tendre de coups très durs ; et son esprit n’était pas en repos tant que ces personnes n’avaient pas obtenu du Seigneur la libération. » (Vita I,35)

Léproserie érigée vers 1100 à l’écart de la ville, Julienne orpheline y fut accueillie, y eut ses visions et devint prieure et responsable de ce centre de convalescence. Julienne en fut chassée suite à la pression des pouvoirs civils qui visaient les richesses de l’œuvre. Depuis 1820, ce haut lieu spirituel est habité par les sœurs du Carmel de Cornillon qui y produisent des hosties pour le diocèse de Liège. Les sœurs mettent leur magnifique chapelle, lieu de grâces, à disposition du pôle de Liège de l’Emmanuel pour les veillées de prière mensuelles.

8ème étape: Cornillon – Retinne – Vallée du ruisseau ste-Julienne
24 km – GR57 – GR5

C’est à l’âge de 5 ans que Julienne devint orpheline et que sa famille la confia à la léproserie de Cornillon, à la sortie est de Liège. Elle y reçut une bonne éducation de soeur Sapience.

Luik – Villers-la-Ville = La Via Juliana
130 kms in 8 dagen

130 km in 8 dagen op de Via Juliana, om de weg van armoede van de heilige Juliana te overwegen en te ervaren, samen met haar roeping van aanbidding en haar daad van overgave aan de Vader.

coverimage-169202_vmosana_Aix-Liege-Huy_NamurHet pad van de heilige Jakobus overlapt met de via Juliana, waar het de Maasvallei doorgaat. De ‘Via Juliana’, oorspronkelijk uitgestippeld door Bruno Vermeire, Dominique en Myriam Beguin, in 1999, verbindt de abdij van Villers-la-Ville (haar graf), Fosses-la-Ville (plaats van haar dood), Salzinnes, Hoei, Cornillon, Retinne en eindigt waar de heilige Juliana rivier de Maas instroomt.

Via-Juliana-v1

https://www.cirkwi.com/fr/circuit/53484-via-juliana-villers-la-ville-retinne

Vertrek van de abdij van Villers-la-Ville

RP Cornillon 2006 009‘De volgende dag werd het offer voor de overledene in de kerk van Fosses aangebracht, en vervolgens werd het lichaam van de maagd op een kar geladen door haar trouwe vriend, de monnik Gobert, die ze hadden opgeroepen; hij leidde haar lichaam naar het huis van Villers, zoals de jonkvrouw van Christus tijdens haar leven gevraagd had. […] Deze monnik Gobert was vroeger een sterke militaire soldaat geweest, zeer gelukkig en beroemd, afstammeling van een van de edelste families van het koninkrijk van Frankrijk; maar hij was edeler geworden toen hij de wereld was ontvlucht als gevolg van de goddelijke roeping, rijker en bekender was hij door het verachten van aardse dingen […]. Als monnik in dit huis in Villers, hield hij van Juliana, de jonkvrouw van Christus, vooral omdat hij de heiligheid van haar lichaam en geest tijdens haar leven had gekend. Haar lichaam werd met respect verwelkomd door de gemeenschap van dit huis en het werd door een speciale gunst tot de volgende dag bewaard. De monniken bewaakten het lichaam de hele nacht lang. […] Het maagdelijke lichaam werd begraven tussen de heiligste lichamen van het huis. Het is uw nederzetting, O Christus, die toevertrouwd is aan het huis van Villers.’ (Vita, II, 50)

Eerste etappe: Villers-la-Ville – Fosses-la-Ville
28 km – GR 126 + 125

« De dienares van Christus, Juliana, bracht de hele vasten (van het jaar 1258) (in haar kluis) in grote discipline van stilte door, terwijl ze met groot geduld de ziekte verdroeg waaraan ze in haar lichaam leed. […]
Op woensdag, de vooravond van de heilige Ambrosius (toen op 4 april gevierd), leek ze zo zwak dat men dacht dat haar einde zeer nabij was. […] Op donderdag, benauwd door de beklemming van haar naderende dood, slaagde ze er niet in het gewoonlijke getijdengebed te bidden, zoals op de dagen ervoor; maar ze verlangde dat er in haar aanwezigheid gebeden zouden worden. Ze deed mee wat en hoe ze kon, samen met hen die de gebeden zegden; op die manier loofde ze de Heer haar hele leven en dat zegende Hem altijd door. Uiteindelijk, toen ze nauwelijks nog kon spreken, herhaalde ze dikwijls de woorden van de Apokalyps: “Zalig de doden, die in de Heer sterven ».
Fosses-la-ville_JPG00Uiteindelijk brak de verbinding van haar aardse cabine en werd haar ziel, die er zo naar verlangde, vrijgelaten. De grote dag, de dag van haar eeuwige geboorte, schitterde. Bij dit vertrek stonden de eerwaarde abdis van Salzinnes, jonkvrouw Hymène en verschillende zusters haar bij, en de gewaardeerde cantor van Fosses die vergezeld was van enkele andere personen, die altijd in de aanwezigheid van zuster Ermentrude waren; kortom, een kleine verzameling gelovigen. » (Vita, II, 47,48,49)

Juliana leefde enkele jaren afgezonderd in de kerk saint–Feuillien in Fosses-la-Ville.

Tweede etappe: Fosses-la-Ville – Salzinnes
21 km – GR 125

« Toen ze in dit huis aankwamen, ontving de eerbiedwaardige abdis hen met grote toewijding en stelde hen als woning een ruime zaal voor, terwijl ze haar gasten veel eerbied en een respectvolle vriendschap bood. Maar Juliana, die van nederigheid hield, droeg met moeite de eer en het respect dat hen werd betoond, en bleef discreet, zoals ze was en zoals ze altijd was geweest; ze vroeg de abdis vaak of ze haar in een huis in de buurt van de kerk kon plaatsen, en beweerde dat ze liever in nederige en bescheiden plaatsen verbleef dan in grote en nobele zalen. » (Vita, II, 33)

Namen – De parochie Sint-Juliana van Salzinnes. Juliana werd door de abdis van Salzinnes ontvangen in Hymène.

Derde etappe: Salzinnes – Andenne
33 km – GR 575

De kapittelkerk Sint-Begge (Andenne). De heilige Begge, een overgrootmoeder van Karel de Grote, die weduwe werd, stichtte in Andenne, omstreeks 692, een Merovingische abdij met, naast twee verschillende verblijfplaatsen, zeven kerken. In de 11e eeuw werd het klooster een seculier kapittel. De lekenmacht verplichtte rekrutering uit de adel. Zo werd het primitieve klooster een nobel kapittel dat overwegend vrouwelijk was. In 1762 waren de zeven kerken in zeer slechte staat. Het kapittel kreeg toestemming van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk om ze te vervangen door één heiligdom. Hij gaf L-B Dewez, de officiële architect van gouverneur Charles van Lorraine, de opdracht om plannen te maken voor een nieuwe neoklassieke kapittelkerk.
Hierin ontdekken we het graf van de heilige van de 12e
eeuw, een katheder met een griffoen (koperwerk uit 1510), 17e-eeuwse kraampjes, biechtstoelen en preekstoel van 18de eeuw, 17e en 18e eeuwse schilderijen waaronder ‘le Massacre des Innocents’ (de Kindermoord van Bethlehem) (1615) door Finsonius uit Brugge. In het museum en de schatkamer van de kapittelkerk bevinden zich edelsmeedkunst, textiel, beeldhouwwerken, schilderijen, manuscripten en grafmonumenten, erfenis van eeuwen van vroomheid en toewijding en getuigenissen van de kracht van de heiligheid van de abdij. Een uitzonderlijk stuk: het renaissance-schrijn van de heilige Begge.

4e etappe: Andenne – Huy (La Sarte)
28 km – GR 575 + 576

« Toen verliet de jonkvrouw van Christus met enkele zusters het opstandige huis van de berg Cornillon alsof ze Ur in Chaldea verliet; ze vertrok zonder financiële middelen. En toen haar werd gevraagd wie de noodzakelijke kosten voor haar en haar gezellinnen zou betalen, antwoordde ze, door al haar zorgen aan de Heer af te geven, volgens het advies van St. Petrus: “God zal ons helpen en indien nodig zullen twee van onze moedigste zusters gaan bedelen aan de poorten. Ze woonde eerst in Robermont, vervolgens in Val-Benoît, daarna in Val-Notre-Dame (Antheit-Huy), allen huizen van nonnen van de cisterciënzerorde. Maar de eerder vernoemde overste […] achtervolgde de Maagd van Christus in elk van deze huizen en gebruikte telkens sluwe complotten zodat ze in geen enkel van de huizen langdurig zou kunnen verblijven. »
(Vita, II, 31)

Hoei – De geschiedenis van deze kerk is gekoppeld aan de ontwikkeling van de pelgrimstocht naar Onze-Lieve-Vrouw van La Sarte (Maagd en Kind). In 1621 verzamelde een arme vrouw uit de stad, Anne Hardi, dood hout op de berg Sarte. In de buurt van een bouwvallig kapelletje vond ze een beeld van de Maagd die ze op haar houtbundel plaatste. Het lukte haar niet meer om deze op haar schouders te nemen, zelfs niet geholpen door twee voorbijgangers, behalve nadat ze tot Maria hadden gebeden. De stad herdenkt elk jaar het « wonder van het brandhout ».

5e etappe: Huy (La Sarte) – Saint-Séverin
23 km – GR 576

Saint-Séverin-en-Condroz – Romaanse cluniacenzische kerk van de heilige Petrus en Paulus (Église Saints-Pierre-et-Paul). Vervat in een benedictijnenklooster, werd deze kerk gebouwd tussen 1136 en 1145. Zijn vorm wordt gemarkeerd door een achthoekige toren met een pijl en doorbroken met dubbele ramen die typerend zijn voor de Bourgondische school van Cluny (moederabdij van de Benedictijner orde) ). De architect was waarschijnlijk een broer van degene die verantwoordelijk was voor de bouw van Paray-le-Monial, een meesterwerk van de cluniacenzische kunst.

6e etappe*: Saint-Séverin – Brialmont
16 km – GR 576

De abdij Onze-Lieve-Vrouw van Brialmont bevindt zich in Tilff, op 12 km van Luik. Trots gelegen op een rots waarvan het de natuurlijke kroon lijkt, domineert het meer dan honderd meter over de schitterende diepe vallei van de Ourthe. Een gemeenschap van Cisterciënzer trapistinnen bidt, werkt en onthaalt. Hun specialiteiten zijn paddenstoelen.

7e etappe : Brialmont – Cornillon
23 km – GR 57

« Ze leidde (het leprozenhuis van Mont-Cornillon) zeer efficiënt, ze dirigeerde in nederigheid, met liefdevolle toewijding, ze toonde aan allen het voorbeeld van goede werken, zonder dat ze haar eigen voordeel zocht, maar alleen dat van Christus. Ze gaf zichzelf de zorg en het werk van de priores, niet de dominantie of het prestige. […] Met heel haar gevoel probeerde ze de liefde voor Christus te vergroten waar Hij aanwezig was; en waar Hij afwezig was, probeerde ze de gedachte aan Hem op te wekken door middel van heilzame waarschuwingen. […] De dienares van Christus, volledig steunend op Hem, werkte voor hun heil door hen met ijverige vriendschap uit te nodigen om vooruitgang te maken in de beste charisma’s. Ze toonde zich geen meesteres, maar een bediende, een moeder, een verpleegster. » (Vita, II, 2)

« Telkens wanneer Juliana bad, zag ze een wonderbaarlijk teken. De maan verscheen haar, beeldschoon, met echter een klein missend stukje aan het bolvormige oppervlak. Ze was verbaasd en wist niet wat het betekende. En haar verbazing groeide, want bij elk gebed werd het teken herhaald. Ze interpreteerde dit als een verleiding, iets slechts, waar ze probeerde van af te geraken. Omdat dit teken niet verdween, bedacht ze dat ze, in plaats van het kwijt te willen, het misschien eerder moest proberen te begrijpen. Ze bad opdat ze de betekenis haar duidelijk zou worden. Toen openbaarde Christus aan haar dat de maan de huidige kerk was maar dat het ontbrekende deel van de maan de afwezigheid was van een plechtigheid in de kerk. » (Vita II,6).

« Door groot medelijden bewogen nam ze alle moeilijkheden op haar (die mensen haar toevertrouwden) en droeg ze tot bij de Heer alsof het haar eigen problemen waren. Zo verscheen ze nooit zonder intentie voor de Heer, maar ze stortte haar hart voor hem uit als water, met een vernederde en verslagen geest, met de gave van haar vurig gebed en een overvloedige uitstorting van tranen; En om te zorgen dat de schoot van goddelijke tederheid zijn barmhartigheid snel zou tonen aan hen die leden onder beproevingen en moeilijkheden, kwelde ze meedogenloos haar tedere lichaam met zeer harde slagen; en haar geest rustte niet totdat deze mensen de bevrijding verkregen hadden van de Heer. » (Vita I,35)

Leprozenhuis opgericht rond 1100 buiten de stad, de wees Juliana werd hier onthaald, had hier haar visioenen en werd priorin en verantwoordelijke voor dit herstelcentrum. Juliana werd er verjaagd door de druk van de burgerlijke machten die de rijkdom van het werk op het oog hadden. Sinds 1820 wordt dit heiligdom bewoond door de Karmelietessen van Cornillon die er hosties produceren voor het bisdom Luik. De zusters zetten hun prachtige kapel, een genadeplaats, ter beschikking van de Luikse bijeenkomsten van Emmanuel voor de maandelijkse gebedswakes.

8e etappe: Cornillon – Retinne – Vallei van de heilige Juliana rivier
24 km – GR57 – GR5

Het is aan de leeftijd van vijf jaar dat Juliana wees werd en haar familie haar toevertrouwde aan het leprozenhuis van Cornillon, aan de oostkant van Luik. Ze kreeg er een goede opvoeding van zuster Sapience.